De installatiesector staat voor enorme uitdagingen met het oog op de verstrenging van de energieprestatierichtlijnen. Ook gebouwen zullen steeds efficiënter met energie moeten omgaan. Reden voor Installatie360 om een Ronde Tafel Sessie te organiseren met als thema ‘duurzame klimatisatie’. Samen met een groot aantal experts in de sector bespreken we de nieuwste trends en noviteiten. Waar staan we nu en wat verwachten we de komende jaren met het oog op de verstrenging van de energieprestatierichtlijnen? De experts gaan een discussie niet uit de weg en komen tot een opvallende conclusie: ‘Er is veel meer technologie beschikbaar dan dat er vandaag geïnstalleerd wordt’.

Verdragen
De strengere energieprestatierichtlijnen komen er aan en vragen om steeds efficiëntere energieoplossingen, meent Hugo Carpentier. “We hebben in Vlaanderen 2020, we hebben verdragen van Kyoto, Casablanca, Parijs,… Als gevolg daarvan zullen al onze gebouwen minder CO2 mogen uitstoten. Om dat te realiseren, gaan we naar centrale stookplaatsen in plaats van elk gebouw zijn eigen verwarmingsinstallatie en gaan we naar efficiënte warmtenetten op lage temperatuur. Intelligente sturingen en regelsystemen gaan daarbij nodig zijn.” Koen Verschuere volgt deze stelling en voegt toe: “Een centrale stookplaats loont ook de moeite om een degelijke regeling op te zetten, daar waar nu allemaal standalone installaties staan te draaien waar niemand zicht op heeft. In dat geval is het ook mogelijk om een BEO-veld op te zetten, mits de installatie groot genoeg is. Het is een trend die we nu al zien. Kleine BEO-velden zijn moeilijker qua ROI te verantwoorden dan de grotere velden.” Volgens Jef Schelkens moet de focus liggen op een beter evenwicht in het basisvermogen. De productie van warmte, koude en andere benodigde energie voor een gebouw gaat het basisvermogen zijn. Er zullen nog altijd piekvermogens geleverd moeten worden, maar het is juist het basisvermogen waar maximale en economische rendementen moeten kunnen gehaald worden.”

Wetgever
Marcel Cloosterman verwacht dat de trend naar centralisering, zoals Hugo en Koen schetsen, wel zal meevallen. “We hebben nu al in zekere zin te maken met centralisering bij grote appartementsblokken en grote gebouwen. Daar waar de dichtheid erg hoog is, kun je overwegen warmtenetten neer te leggen. Alleen de investeringen daarvan zijn erg hoog en zeker als je niet naar lage temperatuur warmtenetten gaat, zijn de verliezen ook erg groot. Het is vaak heel moeilijk om het financieel rond te rekenen. Daarnaast hebben we ook nog te maken met een hoog percentage aan individuele woningen. Verduurzaming valt of staat met de opdrachtgever die hetzij wettelijk, hetzij financieel geprikkeld moet worden. De overheid heeft hierin een heel belangrijke sturende rol, dat kun je niet aan de markt alleen overlaten. Met het oog op de genoemde verdragen bouwt de druk zich op. Langzaam begint paniek toe te slaan bij overheden. Komend jaar kunnen we dan ook behoorlijk wat acties verwachten.” Voor ventilatie en luchtbehandeling is er al vanuit Europa de wetgeving ecodesign die oplegt dat je niet zomaar warme of koude lucht kan afblazen zonder de energierecuperatie te doen, zegt Rudi Van Hemelrijck. “Dan kom je bij de trias energetica. Beperk eerst je warmteverliezen door de gebouwschil te optimaliseren. Met de EPB regelgeving is dat al vrij goed onder controle. De ecodesign wetgeving 2016-2018 betekent opnieuw een verstrenging van de rendementen. Op zich een goed initiatief, maar straks valt zo’n 60 tot 70% in België onder renovatie en daar heb je helemaal niet met het EPB gebeuren van doen. Ook hier ligt nog een belangrijke uitdaging.”

Restwarmte
Rudi Van Hemelrijck verbaast zich wel over het feit dat in woningen zoveel mogelijk warmte gerecupereerd moet worden, maar dat voor bijvoorbeeld een datacenter weer heel andere wetten gelden. “In een datacenter wordt een enorme hoeveelheid restwarmte geproduceerd dat ‘gewoon’ de atmosfeer wordt ingeblazen. Waarom? Niemand legt enig geld op tafel om de restwarmte te benutten voor de maatschappij. Ook hier is een belangrijke rol weggelegd voor de overheid en adviseurs. Zonder financiële tussenkomst gaat de uitbater van een datacenter nooit zelf zoiets gaan doen. En het gaat dan over gigantische vermogens.” Koen Verschuere: “Overal waar men over restwarmte spreekt is het op moment dat het verkocht kan worden plots heel waardevolle dure energie. Tegen dat iedereen zijn stukje eraan gehad heeft, kost deze evenveel als het zelf verbranden van gas.” Dat kan ook Johan Verplaetsen bevestigen. “Een jaar of vier geleden werd een studie omtrend datacenters onderzocht of met de te lozen warmte van het datacenter van Telenet het voetbalstadion in de buurt kon verwarmd worden. Vervolgens kwamen er allerlei problemen naar boven, waaronder het doorkruisen van gemeentelijke maar ook gewestwegen met afstandsnetten. Het bleek gigantisch duur en er ontstond een onevenwicht. Punt bij paaltje was dat de kostprijs zo hoog bleek en de procedures zo lang, dat het onhaalbaar was. De wetgever zal deze hinderpalen moeten wegwerken.”

Koeling
Gebouwen worden meer en meer beter geïsoleerd. “Daar legt ook het EPB de nadruk op,” zegt Johan Verplaetsen. “Het E-peil moet naar beneden en dat is hoofdzakelijk naar warmteverliezen. BEO-velden zijn ook in mijn ogen een zeer goed alternatief ten opzichte van een gewone stookplaats om een gebouw te verwarmen. Probleem is wel dat je BEO-velden ook moet regenereren. Hoe beter je een gebouw isoleert, hoe groter de noodzaak aan koeling is. Dat is het probleem van vandaag. Je stopt veel energie van het koelproces in een veld en haalt er te weinig energie uit bij het verwarmingsproces. Daar kan ventilatie een heel stuk in tegemoet komen. We moeten ondertussen per persoon in België 54 m3 per persoon toevoegen. Als we die via een dubbele adiabatische koeling koelen (zonder koelmiddelen noch compressoren) levert die hoeveelheid lucht 140 Watt per persoon. Op die manier kan effectief een BEO-veld in evenwicht komen. Het grootste passief kantoorcomplex in België is met dat concept gebouwd geweest en is succesvol. Wat ik wil zeggen, we moeten juist de combinatie zoeken met systemen en niet kiezen voor één specifieke oplossing.” Koen Verschuere wil daar graag op inpikken en zegt: “Het nieuwe gebouw Z aan de Universiteit Antwerpen volgt diezelfde filosofie. “Hier is een combinatie gemaakt van de zon buiten houden, maar op moment dat het nodig is ook de zon binnen laten. Gecombineerd met freecooling met luchtkoeling, een BEO-veld en regeneratie met een drycooler. Het grootste deel van het koelen kan via nachtkoeling. Enkel in nachten waarbij de temperatuur niet voldoende daalt, wordt op het BEO-veld overgegaan, zodanig dat het veld niet wordt uitgeput qua koeling. Hier ligt natuurlijk een correcte sturing aan de basis.”

Technologie
Marcel Cloosterman concludeert: “Als je kijkt wat er aan technologie beschikbaar is, dan is er eigenlijk veel meer mogelijk dan wat er vandaag wordt geïnstalleerd. De kunst is dus om die technologie te gaan gebruiken om echt te kunnen verduurzamen. Met zonnewarmte kun je verwarmen, maar ook heel goed koelen. Tot op heden wordt zonnewarmte ingezet om heet water te maken en een absorptie koelmachine aan te drijven. Tegenwoordig is de technologie zover dat het mechanisme van de absorptiekoeling zelfs in de collectoren van zonnewarmtesysteem is ingebouwd. Dat maakt dat collectoren zowel kunnen verwarmen als koelen. Het probleem met energie is dat het allemaal wordt afgerekend in kleine hoeveelheden. Dat geldt voor de brandstof in onze auto’s, de m3 aardgas of de kWh aan elektriciteit. Om echt te kunnen verduurzamen, moet er vooraf fors worden geïnvesteerd. Dat probleem moet getackeld worden door nieuwe technologie zodanig aantrekkelijk te maken of via wetgeving verplicht te stellen dat het geen economische of wettelijke keuze meer is.” Rudi Van Hemelrijck kan dat bevestigen: “De technologie is inderdaad vandaag vaak al voorhanden. Eigenlijk zouden we voor elk project moeten streven naar de best beschikbare technologie? Maar als puntje bij paaltje komt: wie gaat dat betalen? Er wordt vaak tot op de laatste cent bespaard.” Jef Schelkens is van mening dat het soms ontbreekt aan realisme: “Als een opstelling technologisch en economisch niet realistisch is, dan is het ineens ook niet haalbaar. Om doelstellingen te kunnen halen zal de vraag op een realistische manier benaderd moeten worden.”

Sturing
Volgens Johny Vangeel ligt het ‘probleem’ van niet of te weinig verduurzamen ook op het vlak van aansturing van installaties. “Veelal wordt een gebouw uitgerust met een grote verscheidenheid aan individuele sturingen voor ventilatie, verluchting, verlichting, temperatuur, toegang of aanwezigheidssystemen, et cetera. Onder de streep zijn al die verschillende sturingen veel duurder dan die ene sturing die ervoor zorgt dat alle installaties samenwerken.” Een van de grootste problemen voor degelijk energiebeheer is inderdaad de individuele aansturing van de toestellen, weet ook Koen Verschuere. “Bij een overheidsgebouw hebben we een besparing van 82% op het energieverbruik gerealiseerd door alleen een optimalisatie in de aansturing van de hybride stookplaats. Dat komen we helaas dagelijks tegen.” Hier raken we een belangrijk punt, namelijk het wettelijk apparaat hoe we tot openbare aanbestedingen komen, zegt Johan Verplaetsen. “We kunnen met z’n allen echt wel een mooi en innovatief concept op tafel leggen, maar als we dat in een openbare aanbesteding steken, wordt het van tafel geveegd omwille van het concurrentiebeding. Voor de wetgever is er nog veel werk om nieuwe innovaties toe te laten. Alle innovaties worden de mond gesnoerd totdat het common practice is.” Rudi Van Hemelrijck: “Ook het EPB verhaal fnuikt nieuwe technologieën. Je kan het gewoon niet ingeven.” Johny Vangeel: “De wetgever is zich hier heel bewust van, maar gaat er niks aan kunnen doen. Nieuwe technologieën en oplossingen komen sneller dan wetgeving.” Jef Schelkens: “Het heeft ook te maken met de termijn waarop ze vooruitkijken en dat is slechts vier jaar.” Toch zal het moeten, stelt Marcel Cloosterman: “Er zal een energietransitie moeten plaatsvinden in de komende vijftien jaar. Alle hinderpalen zullen weggenomen moeten worden om ervoor te zorgen dat de innovatieve technologie die er is ook gebruikt kan worden.”

Statement maken
Volgens Rudi Van Hemelrijck zou de overheid een statement moeten maken over de richting waar ze naar toe wil. “België is net als Nederland een gasland. Dat geldt ook voor Noorwegen, waar meer dan 90% afhankelijk is van het gas. Toch heeft de Noorse overheid heel dapper gezegd dat ze vanaf 2030 geen fossiele brandstoffen meer aanwenden. Dan is het duidelijk voor heel de markt welke richting het uit gaat. Als je altijd op twee benen danst, is het nooit klaar en blijft het altijd dubieus.” Marcel Cloosterman vindt dat men daarin toch iets ‘voorzichtiger’ moet zijn. “Er zijn natuurlijk heel veel ontwikkelingen op het gebied van gas en de gasinfrastructuur. Je kunt bijvoorbeeld waterstof tot zeker 20% bijmengen met gas en daar de bestaande infrastructuur voor gebruiken. Waterstof is bij uitstek een energiedrager die op een hele duurzame manier energie naar de huizen kan brengen. Het is heel makkelijk gezegd ‘we stappen van het gas af’, maar realiseer je wel voor hoeveel miljarden euro’s er in de bodem ligt aan infrastructuur.” Bijna alles wat hernieuwbaar is, is elektrisch, zegt Rudi Van Hemelrijck. “Als je weet dat je in 2050 veel meer elektrische dragers gaat hebben, heb je weinig aan een gasnet.” Marcel Cloosterman ziet dat anders: “Elektriciteit is maar 20% van de totale energiehuishouding. Warmte, zeker als je er koude bijneemt, is meer dan 60% van de energiehuishouding. Als we echt willen verduurzamen, moeten we juist de warmte en koude die we nodig hebben, verduurzamen. Daar moet veel meer aandacht voor komen dan het verduurzamen van elektriciteit.” Jef Schelkens: “Tegen 2030 zal 27% van onze energie uit hernieuwbare energiebronnen moeten komen. Afhankelijk van wat ze in 2025 met de kerncentrales gaan doen, wil dat zeggen dat 73% nog altijd uit andere fossiele brandstoffen komt. Primaire energie zal dus zo efficiënt mogelijk ingezet moeten worden.”

Opvolging
De heren aan tafel stellen vast dat de technologie steeds complexer wordt. “De tijd dat een studiebureau zomaar ‘iets’ uit de kast kon trekken, is niet meer,” aldus Koen Verschuere. “Als het bureau al mee is en ze krijgen de technologie aan elkaar gebreid dan nog krijgen ze de sturing niet beschreven. Het wordt zo stiefmoederlijk behandeld dat we eindigen in een situatie met heel goede toestellen die niet met elkaar communiceren, zoals Johny Vangeel al beschreef.” Jef Schelkens: “Enerzijds is natuurlijk de aansturing belangrijk, maar ook de metingen achteraf en de terugkoppeling ervan. Ik vergelijk het wel eens met de wagen, die ook het actueel en gemiddeld verbruik toont. Uiteindelijk zou dat met de technieken in een gebouw op dezelfde manier moeten gebeuren.” Koen Verschuere: “De opvolging is zo cruciaal. Je kunt zo gek niet bedenken wat er fout kan lopen, maar er blijft wel warmte of koude uitkomen. Dus het lijkt goed te gaan, terwijl de ‘duurzame technologie’ in storing staat. Toch zien we de laatste tijd wel een kantelpunt waarbij bijna iedere opgeleverde installatie gepaard gaat met een servicecontract voor de opvolging.” Marcel Cloosterman: “Misschien moeten we wel naar een ander concept gaan, net zoals in de wegenbouw. De vraagstelling luidt ‘realiseer een weg van A nar B en zorg voor het onderhoud gedurende 20 jaar. Datzelfde kan ook met installaties door warmte en koude te leveren volgens de gestelde comforteisen.” Volgens Johny Vangeel is dat moeilijk te realiseren in een gebouw. “Er wordt gewerkt met verschillende merken van systemen en installaties, en vaak zijn er ook meerdere installatiebedrijven bij betrokken. Daarnaast heb je te maken met twee soorten gebruikers; een huurder of eigenaar. We merken dat bij niet-openbare aanbestedingen, waarbij de gebruiker tevens eigenaar is, veel meer aandacht uitgaat naar ‘duurzame’ oplossingen met aandacht voor HVAC, elektriciteit én gebouwbeheer.”

Gebouwbeheer
Koen Verschuere: “We zijn heel hard aan het pushen om de sturing als bovenliggende laag te krijgen waarop alle installaties aan kunnen koppelen. Het is een heel belangrijke stap om perfect te kunnen sturen en te komen tot gegarandeerd duurzaam werkende installaties.” Ook Danny Dierckens merkt dat er steeds meer aandacht is voor gebouwbeheer. “Via modules is het perfect mogelijk om alles aan één platform te koppelen, de regelingen over te nemen en samen te laten werken om ze bovendien in één overzicht te tonen op bijvoorbeeld een tablet. Ook die technologie is er. Op kleinere schaal is deze echter niet zo evident. Het zal een beetje een en-en-verhaal worden.” Installateurs van diverse specialisaties gaan meer en meer met elkaar moeten samenwerken én moeten bijscholen en multidisciplinair worden, meent Hugo Carpentier. “Klimatisatie, koelingssysteem,… het is vergelijkbaar met een moderne wagen die in de garage aan de computer wordt gehangen en zegt waar het mankeert.” Jef Schelkens: “Klopt, maar bepaalde toestellen zijnde luchtgroepen, cascadesturingen van warmtepompen, er zit al een zekere regellogica in die voor een specifieke toepassing ook al geoptimaliseerd is. Ze moeten inderdaad wel met elkaar communiceren. Maar om elke keer in ieder gebouw opnieuw het warmwater te gaan uitvinden, gaat te ver.” Koen Verschuere: “Een toestel dat alleen staat, moet op zijn eigen regeling kunnen draaien. Als het geïntegreerd wordt in een cascade, volstaat dat toestel zichzelf beschermt met een eigen beveiliging.” Rudi Van Hemelrijck: “Het gaat soms ook de verkeerde richting uit, waarbij teveel aan een toestel, dat af-fabriek is ingeregeld, wordt ‘gesleuteld’.” Koen Verschuere: “De interne werking moet men inderdaad niet aanpassen, alleen de regeling zodanig uitleggen dat deze samenwerkt met andere toestellen.”

Simulaties
Doordat gebouwen alsmaar complexer worden als gevolg van de installaties die worden geïmplementeerd, ziet Johan Verplaetsen een tendens naar simulaties. “Uit simulaties kan je vrij gemakkelijk de regelstrategie filteren, waarbij zelfs weermodellen worden gehanteerd. Zonder dat gaan we er niet geraken.” Koen Verschuere voegt toe: “Je kan een gebouw prima gebruiken als warmte- of koelbuffer. Het is een van de grootste winstpunten qua energie. Als het morgen warm gaat worden, zou je vannacht zoveel mogelijk van die warmte purgeren tot onder zelfs de comforttemperatuur. Anderzijds, als het de komende dagen kouder wordt, kun je de warmte vasthouden tot boven comforttemperatuur. Dat is quasi-passief en kost je geen extra cent, omdat weermodellen standaard in een regeling opgenomen kunnen. Het is de eerste (energie)winst. Toch is het in grote regelsystemen niet te vinden.” Grote elektriciteitsbedrijven zijn al heel ver met deze predictieve modellen richting sturing, weet Marcel Cloosterman. “Komen we weer op hetzelfde punt: heel veel technologie is er al, maar er moet ergens een drijvende kracht zijn om die technologie te gaan gebruiken.”

CO2 taks
Koen Verschuere: “Eigenlijk zou er een vaste rekenwaarde moeten zijn, zoals ‘een gebouw mag per m2 zoveel fossiele brandstof verbruiken’. Alles daarboven wordt exponentieel belast en die grens wordt steeds verder verstrengd. De vraag is, hoe ga je dat aanpakken?” Danny Dierckens: “Uiteindelijk gaat het allemaal over CO2 uitstoot. Als je de taks op CO2 baseert, zijn we al een stuk verder. Klinkt misschien heel ingewikkeld, maar uiteindelijk doen we met de wagen hetzelfde. We betalen allemaal CO2 taks, maar als het over gas, stookolie of elektriciteit gaat, vindt men het opeens moeilijker. Terwijl we perfect weten hoeveel CO2 uitstoot er is per kWh gas, stookolie en elektriciteit. Het hoeft niet moeilijker te zijn dan dat. En dan geldt voor iedereen hetzelfde.” Hugo Carpentier gaat nog een stap verder: “Waarom niet streven naar energieneutrale gebouwen? Ook dat is perfect mogelijk.” Danny Dierckens: “Als je met CO2 taks gaat werken, ga je sowieso die richting uit. Hoe minder je mag verbruiken, hoe meer je gaat isoleren en hoe beter de technologie is die men gaat wensen te plaatsen. Aan het einde van de rit is dat een goede incentive voor duurzamere gebouwen.” Marcel Cloosterman: “Energieneutraal is redelijk eenvoudig voor nieuwbouw, maar 85% woningvoorraad is bestaand. Daar zit de volgende uitdaging.” Johan Verplaetsen: “Ook daar is een platform voor in ontwikkeling dat min of meer verplicht om oudere huizen te gaan renoveren. Dat zal in 2018 verder vorm gaan krijgen.” Wordt dus ongetwijfeld vervolgd!











